Brandstofprijzen

De brandstofprijzen worden door een aantal factoren bepaald: de directe productkosten, inclusief de transport en logistieke kosten, accijnzen en BTW (meer dan de helft) en de marge.

1. De directe productkosten

Oliemaatschappijen kopen het merendeel van de basisbrandstoffen in op de internationale, vrije markt. Hieraan voegen bijvoorbeeld BP en Shell specifieke additieven toe die de kwaliteit verbeteren. Deze additieven kopen ze in bij een derde partij tegen de geldende marktprijs. Hetzelfde geldt voor de bio-componenten die ze sinds 2007 verplicht bijmengen in de brandstoffen. Het gaat hier om een door de overheid bepaald percentage dat jaarlijks gefaseerd toeneemt, hetgeen de prijs van bio-componenten verder opdrijft. Tot de directe productkosten behoren verder ook de transport en logistieke kosten.

Het zijn met name de veranderingen in de inkoopprijs van de basisbrandstoffen die zorgen voor wijzigingen in de pompprijs. Dit in tegenstelling tot hetgeen veel mensen denken, namelijk dat de benzineprijzen rechtstreeks gekoppeld zijn aan de prijs van ruwe olie. Ruwe olie dient namelijk eerst verwerkt te worden tot benzine en diesel, die vervolgens op de internationale markt door ons worden ingekocht. De inkoopprijs hiervan wordt bepaald door vraag en aanbod en de verwachtingen hieromtrent. Hierbij spelen zaken als bijvoorbeeld seizoensinvloeden, maar ook politieke spanningen een rol. Daarnaast wordt op de wereldwijde markt gehandeld in dollars, reden waarom ook de dollar-euro wisselkoers invloed heeft op de pompprijs. Het bovenstaande verklaart waarom de brandstofprijzen aan de pomp niet altijd gelijk lopen met de prijsontwikkeling van ruwe olie. Sterker nog, op korte termijn kunnen zij zelfs grote afwijkingen vertonen. Op de lange termijn is de prijs van ruwe olie natuurlijk wèl leidend.

2. Accijnzen en BTW

Het grootste deel van de pompprijs in Nederland bestaat uit belastingen. De overheid rekent per verkochte liter brandstof een vast bedrag aan accijnzen. Per 1 januari 2011 is dat 72,4 eurocent voor benzine en 42,95 eurocent voor diesel. Dit bedrag wordt over het algemeen jaarlijks door de overheid aangepast op basis van de inflatie (ook kan de overheid tot een extra verhoging besluiten op basis van politieke overwegingen). Daarnaast wordt over de totale pompprijs (dus ook over de accijnzen) nog eens 19% BTW gerekend. De gemiddelde pompprijs bestaat op dit moment dan ook voor meer dan de helft uit accijnzen en BTW.

3. De marge

De derde factor is de zogenaamde bruto marge, die gemiddeld zo’n 13 eurocent bedraagt (ongeacht de pompprijzen). Dit is de ruimte waaruit àlle kosten betaald worden die gemoeid zijn met de verkoop van de brandstoffen op het station. Een aanzienlijk deel hiervan wordt bijvoorbeeld besteed aan het verlenen van een pompkorting op de landelijke adviesprijs. Andere voorbeelden zijn huur- en personeelskosten of – in het geval van zelfstandige ondernemers – de marge voor de exploitant. Wat vervolgens overblijft, is de winst voor de oliemaatschappijen, hetgeen uiteindelijk dus maar een klein deel is van de verkoopprijs aan de pomp.